Publicaties

Onze docenten en bestuursleden schrijven zelf ook artikelen en theoretisch publicaties. Deze zijn hier te vinden en te lezen.

Vorige pagina | Overzicht

Toegevoegd op 01/06 door Klaas Stuive

Plaats: De Kom, Nieuwegein
Organisatie: Stichting Raja Yoga Nederland

Mahabharata

Een lezing door Klaas Stuive (Yogabrahmacharya) geïnspireerd door de film van Peter Brook over de Mahabharata, Dr.W.H. van Vledder “Het mysterie van het Zelf” -Upanishads - en Dra C.Keus Bhagavad Gita. De samensteller heeft zelf een toelichting in vijf delen geschreven over de Bhagavad Gita. Deze zijn verkrijgbaar bij de Stichting Raja Yoga Nederland.

Inleiding

De Mahabharata is waarschijnlijk (voor een deel) geschreven door Vyasa, een Yoga wijze, in het Sanskriet. De eerste versie van deze epos gaat terug naar de vijfde of zesde eeuw voor Christus. In de derde of vierde eeuw na Christus kreeg het zijn meer of mindere definitieve vorm. Het woord “maha” betekent groot. Het woord “Bharata” slaat op India. De Mahabharata verhaalt over mythes en sages uit India en haar bewoners (Hindus), maar is ook terug te herleiden naar de geschiedenis van de mensheid en de eeuwige strijd die de mens voert in de zoektocht naar het ware Zelf. Het boek is mede gebaseerd op een historische gebeurtenis welke in India ooit heeft plaatsgevonden.

De Indische epos gaat in bijzonder over de strijd op leven en dood tussen twee aanverwante en concurrerende koninklijke families: de Kauravas en Pandavas.

Het Indische rijk werd destijds bestuurd door Dhritarashtra, een blinde koning met 100 zonen die tijdelijk het koningschap waarnam tot dat de oudste zoon van Panda dit koningschap zou kunnen overnemen. Hij wilde echter dit koningschap overdragen aan zijn eigen zoon Duryodhana. Blindheid betekent symbolisch: geen onderscheidingsvermogen. Een blinde koning kan derhalve geen land regeren. Dit conflict leidde uiteindelijk tot de grote oorlog.

In het derde deel van de Maha Bharata is de Bhagavad Gita (“Lied van de Heer”) opgenomen, verdeeld in 18 hoofdstukken. De Bhagavad Gita is een ethisch-religieus-filosofisch leerdicht. De avatar Krishna (vergelijkbaar met de historisch figuur als Jezus en Boeddha) en Arjuna (een edele krijger) spelen in dit derde deel een belangrijke rol. Hun dialoog geeft ons inzicht in kern van de Yogawijsheid. De getuigen van deze tweespraak zijn: Dhritarashtra (de blinde koning) en diens vrouw, Sanjaya (Vyasa, een geschiedkundige Brahman), een aardse schrijver en Ganesha (een god met een olifantskop, de goddelijke schrijver).

De lezing over de Mahabharata valt uiteen in vijf onderdelen:

  1. Het gokspel
  2. De verbanning
  3. De oorlog
  4. De Bhagavad Gita
  5. Compilatie

Het hoofdaccent van de lezing ligt echter op de Bhagavad Gita. Het verhaalt over de leringen van Krishna aan Arjuna.

Het gokspel

Tijdens het grote gokspel verspeelde één van de Pandavas al zijn bezittingen via list en bedrog. Door Kuru, de moeder van de Pandavas, werden de gevolgen van dit spel deels ongedaan gemaakt. De vijf Panadavas werden daarom voor de duur van 13 jaar verbannen naar het grote woud voor de duur van 13 jaar, samen met hun gezamenlijke vrouw Drapathi. Het gokspel staat symbolisch voor de verleidingen in dit aardse leven en haar gevolgen voor de mens.

De verbanning

In het woud kregen de Pandavas hun Yoga-inwijdingen. Zij verwierven daardoor hogere vermogens. Arjuna trok tijdens deze periode alleen verder het woud in voor de duur van vijf jaar. Daar kreeg hij in het bijzonder onderricht door de god Siva (de beschermgod van de Yogis. Van Siva kreeg hij diens verschrikkelijke wapen (pasupatte). Ook werd hij in het gebruik daarvan door Siva getraind. Ondanks de bemiddelingspogingen van Sri Krishna (reïncarnatie van Vishnu) was een grote oorlog onvermijdelijk. Uiteindelijk liet Krishna de twee belangrijkste kemphanen Duryodhama (de afgunstige neef en oudste zoon van de blinde koning) en Arjuna (de edelmoedige strijder) kiezen tussen hem of diens aardse leger. De eerste koos het leger van Krishna. De tweede wilde Krishna als zijn wagenmenner. Symbolisch vond derhalve een keuze plaats tussen materieel of geestelijk bewustzijn. Daarmee stond in feite vooraf reeds vast wie uiteindelijk deze strijd zou winnen.

Ontmoeting met Heer “Dharma”
Een belangrijk moment, vlak voor de grote oorlog, was dat de vijf Pandavas een ontmoeting kregen met de Heer Dharma. Zij moesten, voor dat ze van het water uit een vijver dronken, eerst veertien vragen over “Dharma” (de karmische plicht) beantwoorden. De oudste van de Pandavas wist deze vragen feilloos te beantwoorden. Zijn verblijf in het woud had hem tot bezinning gebracht. Het woord “Dharma” staat voor het karmisch lot van de mensheid. In historisch perspectief slaat dit woord ook terug op het kastenstelsel in India. Iedere kaste heeft zijn eigen doel of taak in de samenleving. In geestelijk perspectief slaat het op het “Goddelijk Plan”.

Deze vragen over “dharma” waren vrij vertaald:

  1. Wat is sneller dan de wind? Gedachten.
  2. Wat kan de aarde bedekken? Duisternis.
  3. Wat is meer te verguizen het leven of de dood? Leven.
  4. Geef een voorbeeld van ruimte? Twee handen op elkaar die één worden.
  5. Geeff een voorbeeld van zonde? Onwetendheid.
  6. Geef een voorbeeld van gif? Begeerte.
  7. Geef een voorbeeld van mislukking? Overwinning (van de ego).
  8. Wat kwam eerst de dag of de nacht? De dag.
  9. Wat is het doel van deze wereld? Liefde.
  10. Wat is het tegenovergestelde daarvan? Mij zelf.
  11. Wat is krankzinnigheid? De vergeten weg.
  12. Waarom komen mensen in opstand? Om schoonheid te vinden.
  13. Wat is het onvermijdelijke? Vreugde.
  14. Wat is het grootse wonder? De overwinning op de dood en het eeuwige leven.

De oorlog

De oorlog werd gevoerd op het land van de Kurus (Kurushetra). Toen de beide legers tegenover elkaar stonden liet Arjuna door Krishna (zijn wagenmenner) de strijdwagen tussen deze beide legers opstellen. Op dat moment vangt de Bhagavad Gita aan.

De oorlog kostte uiteindelijk miljoenen mensen het leven. Alle mystieke krachten werden daarbij aan beide kanten in de strijd gegooid. Nadat de oorlog ten einde was, ging de oudste van de Pandavas via een ladder eerst naar de hemel en daarna naar de hel. In de hemel ontmoette hij al zijn zogenaamde vijanden, die hem als een vriend welkom heette. In de hel ontmoette hij zijn eigen familie. Daar in meditatie verzonken werd diens laatste illusie (gehechtheid aan diens aardse bloedverwanten) opgeheven. Symbolisch betekent dit de opheffing van de dualiteit. Zoals goed en kwaad niet bestaan, zo bestaan hemel en hel ook niet.

De Bhagavad Gita

Dit leerdicht schaart men onder de “Upanishads”. Deze zogeheten woudboeken zijn door leerlingen opgetekend uit de mond van Yogi´s die in de Himalaya-wouden woonden. “Kurushetra” (het land van de Kurus) staat symbool als de plek waar de Ziel zijn eeuwige strijd voert om tot expressie te komen.

Er zijn een aantal opvallende zaken die in dit verband belangrijk zijn:

  • Het eerste hoofdstuk van de Bhagavad Gita sluit aan op het Mahabharata verhaal.
  • Veel passages grijpen terug op eeuwenoude riten en offerceremoniën:
    • Het brengen van offers aan het Zelf;
    • Het tonen van dankbaarheid;
    • Het ervaren van eenwording (Yoga);
    • God huist in de mens als een druppel uit de oceaan;
    • Het aspect van God in de mens en de mens in God (narunarayana);
    • De bevrijding uit de waan van de illusie; (IV,24)
    • Het opgeven van de vruchten van handeling (III, 9 en 19)
    • Het boeddhistisch aspect van geweldloosheid (ahimsa);
    • De uitleg over de yogavormen, zoals Karma Yoga, Bhakti Yoga en Raja Yoga;

Toen Arjuna tussen de beide legers stond, ervoer hij als mens de zinloosheid van een oorlog (I 35-39 en II 4-9). Hij vergat echter zijn onvermijdelijk lot (dharma) als krijger (kaste van de ksatriyas). De strijdwagen met paarden, de groene vlag met een aap als symbool en Krishna als zijn menner heeft een diepere betekenis. Het geeft een totaalbeeld van de mens:

“Zie de mens, levend in zijn aardse lichaam (strijdwagen), zoekende naar de uiteindelijke waarheid, diens bestemming volgend (dharma), voortgetrokken door de zintuigen (paarden), rijdend over het gebied van de objecten van de zinnen (aarde), voortgedreven door begeerten (gebondenheid) , gevangen door gedachten (aap), verbonden met de natuur (groene vaandel), met Krishna als wagenmenner aan diens zijde (de godheid boven alle dualiteit verheven, maar immer aanwezig)”.

Vanuit het oogpunt van “dharma” moest Arjuna vechten en mensen, waaronder vrienden en familieleden, doden. Immers Arjuna diende de samenleving tegen het kwade te beschermen. Krishna roept hem dan ook ter verantwoording. Hij wijst op het feit dat de Ziel nimmer gedood kan worden en er sprake is van de grote illusie. Krishna begint daarna zijn onderricht. (II 11, 31,40, 52).

Arjuna stelt zijn eerste (hulp)vraag op het diepste punt van zijn crisis: “Wat is het kenmerk van hem, die stabiel van denken is, standvastig in meditatie. Wat zegt zon´n wijze, hoe is zijn doen en laten; hoe is zijn handel en wandel?”.

In de hiernavolgende compilatie is een samenvattend overzicht gegeven van de tweespraak tussen Krishna en Arjuna. Deze tweespraak geeft de toehoorders wellicht antwoord op de eigen vragen over Yoga.

Compilatie

De achttien hoofdstukken uit de Bhagavad Gita worden nu behandeld, een aantal relevante teksten (vragen van Arjuna en antwoorden van Krishna) worden geciteerd. De teksten en de volgorde zijn enigszins aangepast om het dialoog tussen Arjuna en Heer Krishna als een vloeiend geheel te laten verlopen.

  1. Vishada Yoga (crisis).
    21, 44-45.
    Verzoek Arjuna: “Voer mijn wagen midden tussen beide legers, o gij Onveranderlijke!”.

    Vyasa: "Als de zonen van Dhritarashtra met hun wapens in de hand mij, weerloos en ongewapend, in de slag doodden, zou het beter voor mij zijn. Nadat Arjuna aldus gesproken had zonk hij achter in zijn strijdwagen en wierp pijl en boog van zich, overweldigt door smart”.

  2. Sankhya Yoga (subtiele wetenschap).
    4, 30-31.
    Vraag Arjuna: “Waarom moet ik met mijn pijlen Bisma en Drona, mijn beide leermeesters, die zo eerbiedwaardig zijn, aanvallen in de strijd?”.

    Antwoord Krishna: “Deze bewoner in ieder lichaam is immer onkwetsbaar, O Bharata; daarom moet ge om geen enkel schepsel treuren. Bovendien, als ge uw eigen plicht nakomt, hoort ge al niet te twijfelen; voor een krijger is niets meer welkom dan een rechtvaardige oorlog”.

  3. Karma Yoga (handeling).
    1, 7, 19.
    Vraag Arjuna: “Als U inzicht hoger acht dan handeling, O Janardana, waarom spoort U mij dan tot deze verschrikkelijke daad aan?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Hij die zijn zinnen door het bewust denken beheersend, zonder gehechtheid handelingen verricht, o Arjuna, is een uitnemend mens. Verricht daarom, zonder gehechtheid, steeds de handeling die uw plicht u voorschrijft; want door handelingen te verrichten zonder gehechtheid, bereikt de mens het Allerhoogste.

  4. Jnana Yoga (kennis).
    4, 23-24, 42.
    Vraag Arjuna:“Hoe moet ik het opvatten dat Yoga, het allerhoogste geheim, door de Goden zijn overgeleverd?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Het eeuwige Brahman als offergave, het eeuwige Brahman als voor een gelouterd denken, worden geofferd in het eeuwige Brahman, als vuur door het eeuwige Brahman, die terwijl hij handelingen verricht, in meditatie in het eeuwige Brahman is verzonken.

    Van de mens die zonder eigen belang en evenwichtig is, wiens denken gegrondvest is in wijsheid, wiens werken offeranden zijn, smelten alle handelingen weg. Roei daarom met het zwaard van de wijsheid van het Zelf deze uit onwetendheid geboren twijfel in uw hart uit; wees gegrondvest in Yoga, O Bharata”. Nb. Zie ook het verdere antwoord van Krishna onder Vijnana Yoga(7).

  5. Sannyasa Yoga (verzaking).
    1.6-7,10
    Vraag Arjuna: “Verzaking van handeling prijst U, O Krishna, en eveneens looft U de Yoga. Welke van deze twee is de beste? Zeg me dit met stelligheid?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Zonder de Yoga, o machtigarmige, is verzaking van handelingen moeilijk te bewerkstelligen. De wijze door de Yoga tot harmonie gebracht, komt spoedig tot het eeuwige Brahman. Hij die door de Yoga tot harmonie is gekomen, wiens denken zuiver is geworden, wiens zinnen onderworpen zijn, wiens Zelf het Zelf van alle schepselen is, wordt niet bezoedeld, al handelt hij. Hij die handelt en alle handelingen legt aan de voeten van het eeuwige Brahman en alle gehechtheid laat varen, wordt niet aangetast door karma, evenmin als een lotusblad door water.”

  6. Dhyana Yoga (meditatie).
    37, 35, 44, 47.
    Vraag Arjuna: “Welke pad betreedt de mens, o Krishna, die zichzelf niet beheerst, maar wel vertrouwen heeft, wiens gedachten afdwalen van de Yoga en die er nog niet in is geslaagd volmaaktheid in Yoga te bereiken?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Het is ongetwijfeld waar, o machtigarmige, dat het denken moeilijk te beteugelen en rusteloos is; maar in nooit aflatende oefening ( in Yoga) en in ongehechtheid kan men het denken bedwingen. Yoga is moeilijk te bereiken voor een rusteloze geest, maar door degene, die door het Zelf beheerst wordt, is het te bereiken met behulp van juist gerichte energie. Door Yoga-beoefening in deze en vorige levens wordt hij onweerstaanbaar voortgetrokken. En aangezien hij Yoga verlangt te kennen, stijgt hij uit boven het Woord, tot realisatie van het eeuwige Brahman. Van alle Yogis wordt hij, die Mij vol vertrouwen aanbidt, die met zijn innerlijke Zelf in mij verblijft, die Mij vereert, door Mij als volkomen evenwichtig beschouwd.”

  7. Vijnana Yoga (hogere kennis).
    27, 30.
    Verder antwoord Heer Krishna: “Door het illusoire van de paren van tegenstellingen, die ontsproten zijn aan aantrekking en afstoting, O Bharata, worden alle schepselen geboren in volslagen begoocheling, o Parantapa. Zij die Mij kennen als de kennis omtrent de elementen, als kennis omtrent de goddelijke wezens, en als kennis van het offer, zij zullen, harmonisch van denken, Mij kennen in het uur van hun verscheiden, zij zijn in staat die kennis, die herinnering, ongeschonden te behouden en zij gaan in Mij, het Zelf op, en komen tot bevrijding.”

  8. Brahma Yoga (Schepper).
    1-2, 3-5, 16, 28.
    Vragen Arjuna: “Wat is het eeuwige Brahman, wat is kennis van het Zelf, wat is handeling, o Purushottana? En wat verstaat men onder kennis der elementen; wat is kennis omtrent de Stralenden? Wat en hoe is kennis van het offer in dit lichaam, o Madhusudhana? En hoe zult U in het uur van de dood gekend worden door hen, die zich aan het Zelf hebben onderworpen?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Het Onvergankelijke, het Allerhoogste, het Absolute is het eeuwige Brahman; Zijn wezenlijke aard noemt men kennis van het Zelf; de emanatie, die de geboorte van schepselen veroorzaakt, wordt handeling genoemd. De kennis der elementen betreft de vergankelijkheid van de natuur; kennis omtrent de Stralenden betreft de levensgevende energie; kennis omtrent het offer spreekt over Mij als wonend in het lichaam als innerlijke Getuige, O jij beste onder de schepselen. En hij die, wanneer hij sterft, in het uur van de dood, zijn gedachten uitsluitend op Mij gevestigd houdt, gaat geheel in Mij op, daar is geen twijfel over mogelijk.

    De werelden, te beginnen met de wereld van Brahman, komen en gaan, O Arjuna; maar wie Mij bereikt wordt niet wederom geboren. Hij gaat tot de allerhoogste staat van het Oerbegin.”

  9. Raja Yoga (koninklijk geheim).
    34, 2 .
    Verder antwoord Heer Krishna: “Richt daarom( in meditatie) uw aandacht op Mij, volg uw dharma, wees Mij toegewijd, breng uw offer aan Mij; werp uzelf vol deemoed voor Mij neer; aldus harmonisch geworden in het Zelf, zult ge tot Mij komen, daar Ik uw hoogste doel ben. Koninklijke wetenschap, koninklijk geheim, de inwijdingen; intuïtief te ervaren, leven overeenkomstig dharma, heel gemakkelijk te beoefenen, onvergankelijk”.

  10. Vibhuti Yoga (goddelijke vermogens).
    16-18, 19-20, 10-11, 42.
    Vraag Arjuna: “Wil mij toch volledig Uw goddelijke heerlijkheid verkondigen, waarin U verblijft, terwijl U deze werelden met Uw leven doordringt? Hoe zal ik U door voortdurende meditatie leren kennen, o Grote Yogi? In welke hoedanigheden zult U door mij overdacht moeten worden, o Gezegende Heer. Verkondig mij nogmaals uitvoerig Uw Yoga en Uw Heerlijkheden, o Janardana; want ik kan nooit genoeg krijgen van Uw inspirerende woorden?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Wees gezegend. Ik zal U de belangrijkste van Mijn goddelijke Heerlijkheden mededelen, o beste der Kurus; want er is geen einde aan Mijn vormen. Aan hen die steeds evenwichtigheid betrachten, Mij vol Liefde aanbidden, geef Ik de Yoga van het onderscheidend vermogen en wijsheid, waardoor zij tot Mij komen. Daar Ik verblijf in hun Zelf, doe ik, uit zuiver mededogen, door de stralende lamp van wijsheid de uit onwetendheid geboren duisternis teniet. Ik, o Gudakesha, ben het Zelf, tronend in het hart van alle schepselen; Ik ben het begin, het midden en ook het einde van alle wezens.Maar wat voor nut heeft al deze details, o Arjuna?. Dit ganse universum doordrongen hebbend met een uiterst klein deel van Mij zelf, blijf Ik altijd, die Ik ben”.

  11. Visvarupadarsana Yoga (goddelijke vormen).
    4-8, 13-14, 34-35, 47, 54-55.
    Vraag Arjuna: “Indien U meent, dat deze Heerlijkheden door mij geschouwd kunnen worden, o Heer van Yoga, openbaar Uzelf dan als Uw onvergankelijke Zelf?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Aanschouw, o Partha, mijn vormen, honderdvoudig, duizendvoudig, verschillend van aard, goddelijk, van velerlei kleur en gestalte. Aanschouw de Adityas, de Rudras, de twee Asvins en ook de Maruts; aanschouw vele nimmer tevoren geschouwde wonderen, O Bharata. Aanschouw nu het ganse heelal, het beweeglijke en het onbeweeglijke als één in Mijn lichaam, o Gudakesha, en al wat je verder verlangt te zien. Maar met uw gewone ogen kunt gij mij niet aanschouwen; het goddelijke oog schenk ik u. Aanschouw Mijn goddelijke Yoga.

    Arjuna, door Mijn goedgunstigheid heb je deze Allerverhevenste vormen mogen aanschouwen, aan u geopenbaard door Atma Yoga, stralend, alles doordringend, zonder einde, wat was van den beginne, wat niemand ooit gezien heeft. Slechts door toewijding aan Mij kan men Mij dus aanschouwen, Arjuna, mijn inwezen leren kennen en volledig één met Mij zijn, o Parantapa. Hij, die handelingen verricht Mijnentwil, hij voor wie Ik het hoogste doel ben, hij die aan Mij is toegewijd, bevrijd is van alle gehechtheid, zonder haat is jegens welk wezen dan ook, hij zal tot Mij komen, o zoon van Pandu”.

    Getuigenis Vyasa: “Daar aanschouwde Arjuna het ganse heelal in al zijn veelvuldigheid als één geheel in het lichaam van de God der Goden. Overweldigd, diep onder de indruk, maar ook verbijsterd boog Arjuna, wiens haren ter berge waren gerezen, hij het hoofd voor de Heer Krishna en legde daarna, met de handen tegen elkaar,j in alle nederigheid getuigenis af over alles wat hij had gezien en ervaren. Om shanti, shanti, shanti”.

  12. Bhakti Yoga (toewijding).
    1-2, 4, 9, 12, 20.
    Vraag Arjuna: “De toegewijden, die immer evenwichtig, U aanbidden en diegenen, die het Onvergankelijke, het Ongemanifesteerde vereren, welke van hen is nu het meest bedreven in Yoga?”.

    Antwoord Heer Krishna: “Zij, die met hun aandacht op Mij gericht, immer evenwichtig, Mij aanbidden, vervuld van absoluut vertrouwen in Mij, deze zijn, naar Mijn mening, het meest harmonisch in Yoga. De zinnen beheersend en beteugelend, alles gelijkelijk beschouwende, vreugde scheppend in het welzijn van allen, ook zij zullen in Mij opgaan.

    Maar als je niet in staat bent de aandacht vast op Mij gericht te houden, probeer dan tot Mij te komen door de Yoga van oefening, o Dhananjaya. Het opdoen van juiste kennis is beter dan constante beoefening van concentratie; meditatie is weer beter dan kennis; beter dan meditatie is de verzaking van de vruchten van handeling; op verzaking van de vruchten van handeling volgt onmiddellijk vrede. Waarlijk, zij die met volstrekt vertrouwen de ware wijsheid, zoals deze hier verwoord is, navolgen, die zich Mij als hun hoogste doel voor ogen houden, Mij vereren, zij zijn Mij dierbaar boven alles”.

  13. Kshetra-kshetrajna Yoga (materie en geest).
    1-2, 5-6, 11, 19, 21, 23 , 26, 30, 34.
    Vraag Arjuna: “Materie en geest, het veld en de Kenner van het veld, kennis en dat wat gekend moet worden, dit zou ik graag willen weten, o Kesava?”.

    Antwoord Heer Krishna: Dit lichaam, o zoon van Kunti, wordt het veld genoemd; dat wat immer weet, wordt de Kenner van het veld genoemd, door hen die weten. Weet dat Ik de Kenner van het veld ben in alle velden, o Bharata. Kennis omtrent het veld en de Kenner van het veld, dat is naar Mijn mening, Yogawijsheid. De grote elementen, het ik-besef, intuïtie, en ook het onzichtbare, de 10 zinnen, het denken en de 5 objecten der zinnen. Begeerte, afkeer, vreugde, smart, intelligentie en vastberadenheid, deze vormen kort samengevat het veld en zijn transformaties. Volhardend in het verdiepen van de kennis omtrent het ware Zelf, besef van het doel en de essentie van alle kennis; dat is wat men Yogawijsheid noemt; alles wat hiertegen in gaat in onwetendheid. Weet dat materie en geest beide zonder begin zijn; weet eveneens dat de transformaties en de hoedanigheden alle uit de materie voortspruiten.

    De geest, in de materie gezeteld, geniet de hoedanigheden uit de materie voortgekomen; gehechtheid aan de hoedanigheden is de oorzaak van zijn geboorte uit een goede of kwade moederschoot. Hij, die aldus de Geest en de materie met de hoedanigheden kent, wordt hier niet wederom geboren.

    Weet ook, o beste der Bharatas, dat elk schepsel, dat geboren wordt, hetzij beweeglijk of onbeweeglijk, voortkomt uit de vereniging tussen het veld en de Kenner van het veld. Wanneer hij inziet, dat het bestaan van de verscheidenheid van schepselen geworteld is in de Ene en daaruit voortspruit, bereikt het Eeuwige Brahman. Zij, die -met het oog van wijsheid- het verschil zien tussen het veld en de Kenner van het veld, maar ook weet hoe de schepselen uit de klauwen van de materie kunnen worden bevrijd, gaan op tot het Allerhoogste”.

  14. Gunatraya Yoga (hoedanigheden van de materie).
    5, 9, 14--18, 20, 21, 26-27.
    Vraag Arjuna: “Wat zijn de kenmerken van hen, die aan de hoedanigheden van de natuur zijn ontstegen, o Heer. Hoe handelt hij, hoe overstijgt hij de krachten van de materie?”.

    Antwoord de Heer Krishna: Harmonie (satva), beweeglijkheid (rajas) en traagheid (tamas), dat zijn de drie hoedanigheden van de materie. Zij, o Arjuna, binden de Onvernietigbare Bewoner van het lichaam aan dat lichaam. Harmonie (satva) hecht de mens aan zaligheid; beweeglijkheid (rajas) aan handeling, o Bharata. Traagheid (tamas), die de wijsheid versluiert, hecht de mens daarentegen aan onwetendheid. Indien nu harmonie (satva) de overhand heeft, op het ogenblik dat de belichaamde mens overlijdt, gaat hij over tot de vlekkeloze werelden van hen, die het Hoogste kennen. Als hij het lichaam verlaat, wanneer de beweeglijkheid (rajas) de overhand heeft, wordt hij geboren onder hen die verslaaft zijn aan de handeling; als hij overgaat in de toestand van traagheid (tamas), wordt hij geboren uit de schoot van de redelozen.

    De vruchten van de goede daden noemt men harmonisch; maar de vruchten van beweeglijkheid zijn smart en pijn; en de vruchten van traagheid zijn onwetendheid en domheid. Uit harmonie spruit wijsheid voort, uit beweeglijkheid hebzucht; begoocheling komt voort uit traagheid. Zij, die gegrondvest zijn in harmonie, stijgen omhoog; de beweeglijken verblijven in de middensfeer, maar de tragen gaan omlaag, behept met de laagste eigenschappen.

    Wanneer nu de bewoner van het lichaam ontstegen is aan deze drie hoedanigheden, waaruit alle lichamen zijn voortgekomen, zal hij bevrijd van de geboorte, dood, ouderdom en smart, de nectar van de onsterfelijkheid proeven. Hij die mij dient door de Yoga van de toewijding is, als hij boven de hoedanigheden is uitgestegen, geschikt om op te gaan in het eeuwige Brahman. Want Ik ben de verblijfplaats van het eeuwige Brahman en de Onvergankelijke Nectar van de Onsterfelijkheid, de Eeuwige Gerechtigheid en de nimmer eindigende Zaligheid, dat “Ben Ik””…

  15. Purushottema Yoga (het Allerhoogste Bewustzijn).
    1-3, 7, 11, 13, 17-20.
    Verder antwoord Heer Krishna: “Met zijn wortels omhoog en zijn takken omlaag is de boom (Ashvattha) onvernietigbaar, zo wordt ons gezegd; hij die dit weet is een echte kenner. Naar omlaag spreiden zich zijn takken, in stand gehouden door de hoedanigheden van de materie; de objecten der zinnen zijn de loten; en zijn takken en vruchten brengen de boeien van handeling voort in de wereld van mensen.

    Een onsterfelijk eeuwig deeltje van Mijn Zelf wordt in de wereld van de levenden getransformeerd als een levende geest, versluierd door de materie omhult het zich met vijf zinnen en bewustzijn, als zesde. Ook Yogis, in hun streven naar eenheid, worden het gewaar, maar al zouden onwetenden ernaar streven, zij zullen het nimmer gewaar worden, omdat hun ik-besef ongeoefend is. De materie met Mijn levenskracht doordringend, houd Ik alle schepselen in stand; en door het verrukkelijke Soma-sap, voed Ik allen.

    De hoogste energie is het Andere; het Allerhoogste Zelf; het is allesdoordringend en houdt de drie werelden in stand, als de onvergankelijke Heer. Daar Ik het veranderlijk en onveranderlijke te boven ga, word Ik door de mensen en in de wijsheidsboeken het Allerhoogste Bewustzijn genoemd. Hij, die vrij van begoocheling, Mij aldus kent als deze Allerhoogste Geest, aanbidt Mij met zijn hele wezen, o Bharata.

    En zo heb Ik deze aller geheimste leer doorgegeven, o gij schuldeloze. Moge hij, die dit vernomen heeft, als zijn taak vervuld is, de verlichting ontvangen, o Bharata”.

  16. Daiva-sura-sampad Yoga (goddelijke en demonische eigenschappen).
    1,3-5, 7, 12, 16, 21-23.
    Verder antwoord Heer Krishna: “Onbevreesheid, een zuiver leven, standvastigheid in de Yoga van wijsheid, milddadigheid, zelfbeheersing, opofferingsgezindheid, het bestuderen van wijsheidsboeken, ascese en oprechtheid. Alertheid, vergevingsgezindheid, geestkracht en vastberadenheid, zuiverheid, afwezigheid van afgunst en hoogmoed, dit o Bharata toont iemand die met goddelijke eigenschappen is geboren.

    Geveinsdheid, aanmatiging en verwaandheid, toorn, boosaardigheid en onverstand, toont hij, die met demonische eigenschappen is geboren, o Partha. De goddelijke eigenschappen zullen tot bevrijding voeren, de demonische tot slavernij. Treur niet, gij zijt geboren met goddelijke eigenschappen, o Pandava.

    Demonische mensen kennen noch de juiste weg van handeling, noch de juiste weg van onthouding; in hen is geen zuiverheid, ook is in hen geen fatsoen en geen waarheid. Door allerlei gedachten in de war gebracht, verstrikt in het web van begoocheling, verslaafd aan bevrediging van begeerten, vallen zij omlaag in de bezoedeling van de materie. Drievoudig is de poort van deze lagere wereld, die het zelf vernietigt: wellust, haat en hebzucht; laat de mensen deze die verzaken.

    Een mens, die bevrijd is van deze drie poorten der duisternis, o zoon van Kunti, bewerkt zijn eigen welzijn en bereikt aldus het hoogste doel. Laat u daarom bij de keuzen in uw leven leiden door de ethische normen en het Zelf. Wetend wat zij inhouden, moet ge uw taak volbrengen in deze wereld.”.

  17. Sraddhatraya-vibhaga Yoga (goddelijk geloof en vertrouwen).
    1-4, 23, 28.
    Vraag Arjuna: “Wat is de staat, het uiteindelijk lot van hen, die met veronachtzaming van de ethische voorschriften, zonder geloof en vertrouwen offeren, o Krishna? Is dat harmonie, beweeglijkheid of traagheid”.

    Antwoord Heer Krishna: “Ja, drievoudig van aard is het geloof en vertrouwen van hen die een lichaam hebben. Het geloof en vertrouwen van ieder mens is in overeenstemming met zijn aard, o Bharata. Zijn geloof vormt zijn karakter; zoals hij gelooft, zo is hij. Harmonische mensen aanbidden de Stralenden; beweeglijke mensen aanbidden de goden en halfgoden; de anderen, de mensen van duisternis, aanbidden de schimmen der gestorvenen en de natuurgeesten. Ook het offer, het voedsel, de spraak, de ascese, de aalmoezen zijn drievoudig van aard. AUM TAT SAT (de oerklank dat ben ik) is de drievoudige aanduiding van het eeuwige Brahman. Met deze drie woorden werden oudtijds Brahmanen, Vedas en offeranden gewijd.

    Echter alles wat zonder geloof en vertrouwen wordt verricht, hetzij offer, gift, boetedoening of wat dan ook, wordt onwaarachtig (tamas) genoemd, o Partha; het is van nul en generlei waarde,voor hier en het hiernamaals”.

  18. Moksha Yoga (bevrijding).
    1-2, 7, 14-17, 45-48, 57, 70, 72-73.
    Vraag Arjuna: “O machtigarmige, ik zou de ware aard willen kennen van zelfverzaking, onthouding en dharma?”.

    Antwoord Heer Krishna: “De wijzen noemen het verzaken van handelingen die door begeerte zijn ingegeven: zelfverzaking. Het afzien van de vruchten van alle handeling wordt door deze wijzen onthouding genoemd. Zowel de zelfverzaking en onthouding, maar ook dharma zijn eveneens drievoudig van aard.

    Het is trouwens onmogelijk voor iemand, die in een lichaam leeft, volledig van handelen af te zien; maar wie afziet van de vruchten van het handelen, die beoefent waarlijk onthouding. De zetel van handeling (het lichaam) en de handelende (het ik-besef), de verschillende organen, de diverse soorten van werkingen en ook de voorzienigheid (karma); welke handelingen een mens ook verricht, met zijn lichaam, de spraak of het denken, of deze nu juist of onjuist is, deze twee zijn de grondoorzaak van handelen. En aangezien dit zo is, heeft hij, die door ongeoefende denken, alleen zijn eigen ik aanziet voor de handelende, geen inzicht, want zijn denken is vertroebeld. Hij die vrij is van egoïsme, wiens gedachten onbezoedeld zijn, doodt niet, zelfs al doodt hij deze volkeren, evenmin is hij gebonden door de handeling.

    Ieder mens komt tot bevrijding, als hij opgaat in zijn dharma. Luister, hoe bevrijding wordt verkregen door de mens, die geheel gericht is op zijn dharma.

    Door bij het naleven van dharma Hem te aanbidden uit wie alle schepselen voortkomen, door wiens leven het Al wordt doordrongen, komt tot bevrijding. Beter is het zijn eigen dharma te vervullen, hoezeer ook zonder verdienste, dan die van een ander goed te verrichten.

    Hij, die zijn dharma, hem door zijn eigen geaardheid opgelegd, vervult, belaadt zich niet met nieuw karma. De met de geboorte meegekregen dharma, o zoon van Kunti, hoe gebrekkig dan ook vervuld, moet men niet verzaken.

    Alles wat men onderneemt, is omgeven door tekorten, zoals het vuur door rook. Richt daarom steeds uw denken op Mij, mentaal alle handelingen aan Mij overgevend, geheel van Mij vervuld, uw toevlucht tot de Yoga van de goddelijke intuïtie (dharma); want hij wiens gedachten volkomen ongehecht zijn; die zichzelf beheerst en al zijn begeerten heeft opgegeven (onthouding), komt door deze zelfverzaking tot de hoogste volmaaktheid”

    Slotvraag Heer Krishna: “Heeft u dit alles, o zoon van Pritha, aangehoord in meditatie? Is uw waan, veroorzaakt door gebrek aan inzicht en onderscheidingsvermogen nu ongedaan gemaakt, o Dhananjaya?”.

    Slot antwoord Arjuna: “ Verdwenen is mijn waan door Uw genade, o Gij Onveranderlijke. Ik ben vastbesloten; mijn twijfel is voorbij. Ik zal handelen naar Uw woord”.

Aldus eindigt uit de Mahabharata, in de prachtige Bhagavad Gita, de leringen van Krishna aan Arjuna.

Nieuwegein, juni 2001

Klaas Stuive
Yogabrahmacharya

Archief

Geef een zoekopdracht

Laatste Tweets

Volg ons @RajaYogaNieuws